Gewone mannen in uitzonderlijke omstandigheden
Christopher Browning spreekt 9e Auschwitz-lezing uit
Op 27 januari 2012 was het 67 jaar geleden dat vernietigingskamp Auschwitz bevrijd werd door het Sovjet-leger. Deze datum wordt internationaal gebruikt voor de herdenking van de Holocaust en haar miljoenen slachtoffers. In Amsterdam organiseerde het Nederlands Auschwitz Comité, in samenwerking met het NIOD en de Sociale Verzekeringsbank, de Nooit meer Auschwitz-lezing.
Ieder jaar nodigt het Nederlands Auschwitz Comité een vooraanstaande wetenschapper uit om de lezing uit te spreken. Dit jaar viel de eer ten deel aan Christopher Browning, een Amerikaans historicus die in 1992 bekend werd met zijn boek ‘Ordinary Men’. In dit boek onderzocht Browning hoe 500 normale mannen, verzameld in reserve politiebataljon 101, in zestien maanden van fabrieksarbeiders en huisvaders veranderden in moordenaars, die in totaal bijna 40.000 joden doodschoten in de bossen nabij het Poolse plaatsje Jozefow.
Gewone mannen
Op dit boek is zijn lezing, uitgesproken in de indrukwekkende Grote Zaal van het Koninklijk Instituut voor de Tropen, grotendeels gebaseerd. De vraag die zich onmiddellijk opdringt bij het horen van de ervaringen van deze Duitse mannen, is: hoe is het mogelijk dat een mens, een normaal persoon zonder noemenswaardige psychische problemen, in staat is tot het in koele bloede neerschieten van anderen? In de jaren na de Holocaust zijn er verschillende verklaringen de revue gepasseerd: De mannen konden simpelweg niet anders want ze werden gedwongen. Deze mannen hadden een latent moordzuchtige aard die slechts onder de uitzonderlijke omstandigheden te voorschijn kwam. Talloze historici hebben zich gemengd in het zogenaamde ‘Sonderweg’-debat, waarin de zucht naar autoriteit en de antisemitische inborst van ‘het Duitse volk’, naast het gedrag van ‘normale Duitsers ook onder meer het falen van de Weimar-republiek verklaart.
Browning wijst al deze verklaringen af op empirische gronden. De mannen werden niet gedwongen. Binnen het bataljon was er een ongeschreven regel dat men het daadwerkelijk doodschieten van vrouwen, kinderen en ouderen kon weigeren. De selectie van de soldaten was zo willekeurig; een zoektocht naar moorddadige of sadistische karaktereigenschappen maakte geen onderdeel uit van de selectieprocedure. Over de exceptionele volksaard van Duitsers is het laatste woord nog niet gezegd, maar Browning behoort duidelijk tot het kamp die het bestaan van een dergelijke Sonderweg ontkent.
Inzichten uit de sociale psychologie
Hij wijst op een vierde methode bij de verklaring van het uitzonderlijke daderschap van de leden van reserve politiebataljon 101, namelijk het gebruik van inzichten uit de sociale psychologie. In de jaren ’70 zijn er een aantal interessante experimenten gedaan, waaronder het beroemde Milgram-experiment. Deelnemers dienden in dit experiment een anoniem persoon steeds grotere (fictieve) elektrische schokken toe, in opdracht van de “autoritaire” wetenschapper, ondanks het feit dat de ontvanger van de schokken steeds harder begon te kreunen en schreeuwen van pijn. Blijkbaar was de angst voor de toorn van de autoritaire opdrachtgever groter dan het medelijden met degene die de schokken toegediend kreeg.
In het Stanford Prison Experiment zag Browning dezelfde structuur ontstaan als in het reserve-politiebataljon 101. Op Stanford werd een groep proefpersonen, zonder psychische stoornissen of andere geestelijke afwijkingen, willekeurig verdeeld in gevangenen en bewakers. Het experiment van de Amerikaanse psycholoog Zimbardo moest voortijdig beëindigd worden, omdat de ‘bewakers’ al snel wrede en inhumane methoden bedachten om hun ‘gevangenen’ onder de duim te houden. Net als onder de leden van het Duitse bataljon ontpopten een aantal deelnemers aan het experiment al snel tot enthousiastelingen, genietend van hun macht met absoluut minachten voor hun gevangenen. De grootste groep voerde hun taken zonder morren uit, niet perse met een enorme geestdrift, maar ook zonder zichtbare tegenzin. Ze accepteerden simpelweg hun taak en leken er verder weinig over na te denken. Een absolute minderheid (minder dan twintig procent) behoorde tot de ‘good guards’, in het politiebataljon degenen die weigerden te moorden en zich met afkeer uitspraken over de aan hen toevertrouwde taken.
Van gewone man naar ideoloog en enthousiasteling
Hoe het kan dat de meerderheid van de door hem onderzochte mannen zonder veel tegenstribbelen in staat was weerloze mensen neer te schieten, kan volgens Browning te maken hebben met wat psychologen ‘cognitieve dissonantie’ noemen. Als men handelt tegen zijn morele standaards in, maar gelooft dat er geen enkele manier is om deze handelingen te veranderen, zit er niets anders op dan zijn of haar morele standaarden aan te passen. Zo wordt de kloof tussen moraliteit en handelen kleiner en ontstaat er minder stress. Op deze wijze kan het gebeuren dat mannen, aanvankelijk geschokt en vol walging, aan het moorden ‘gewend‘ raakten en de orders uitvoerden zonder gewetenswroeging. Je zou kunnen stellen dat hoe meer de soldaten zich wijdden aan de Nazi-ideologie, waarin joden geen enkel recht op leven hadden, hoe beter zij in staat waren hun taken uit te voeren. Daarnaast speelde het verlangen zich aan de groepsdynamiek te conformeren een grote rol bij het gedrag van deze soldaten.
Over de lezing
De keuze voor Browning is, gezien zijn indrukwekkende staat van dienst, niet verrassend. De lezing was overzichtelijk opgebouwd en behandelde genuanceerd de voors en tegens van het gebruik van psychisch-sociale inzichten bij de behandeling van daderschap. Maar waarom Browning juist dit boek van twintig jaar geleden uitkiest voor een dergelijke lezing is opvallend. Toen dit boek uitkwam in 1992 sloeg het in als een bom. Mevrouw Hans Dresden vergeleek, in haar laudatio van Browning voorafgaand aan de lezing, de impact van het boek met die van de Shoah-documentaire (1985) van Claude Lanzmann. Beiden gaven een unieke inkijk in de gedachten van de simpele uitvoerders van de plannen van grote Nazi-ideologen zoals Heydrich en Himmler door de gewone soldaten aan het woord te laten. Inmiddels hebben de inzichten van uit boek zich verspreid over een groter publiek, en zeker over het geïnteresseerde en betrokken publiek dat zich op 27 januari in het Tropeninstituut verzameld had. Wellicht had een bespreking van Brownings nieuwste boek ‘Remembering Survival’ (2010) meer nieuwe kennis bij het publiek gebracht.
Dit neemt niet weg dat Brownings lezing indruk maakte. Wellicht hoeft de Nooit Meer Auschwitz-lezing niet te gaan over de stand van zaken in de historiografie van de Holocaust, maar moeten we haar meer zien als een jaarlijkse herinnering aan een van de duisterste periodes in de geschiedenis. Waar vaders van kinderen andermans baby’s neerschoten en onschuldigen in vieze treinen propten die hen naar de vernietiging brachten. Waar omstandigheden worden gecreëerd waarin eeuwenoude normen en waarden worden opgeofferd ten behoeve van mentaal comfort en de sfeer in de groep. Zoals Hans Dresden zei: om stappen te zetten op weg naar Nooit meer Auschwitz zijn Brownings woorden en inzichten een belangrijk instrument, en in mijn woorden, kunnen we deze niet vaak genoeg horen.
Tessa