Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Interview: Olivier Sprée 1

Solidair op afstand

Interview met Sam Pormes

Olivier Sprée interviewde Sam Pormes voor Liberty City.

In de zomer van 2001 schreef Sam Pormes geschiedenis. Hij werd de eerste Nederlandse senator van Molukse afkomst. Daarmee vormt hij het levende bewijs dat het niet onmogelijk is je als lid van een minderheidsgroep los te maken van een bestaan in de marge, zonder daarbij je afkomst te verloochenen. Vooral die laatste toevoeging kenmerkt de inmiddels oud-senator.

Bij zijn installatie als Eerste Kamerlid van Groen Links presenteerde hij zich met een traditionale Molukse sjerp. Dat leverde gefronsde wenkbrauwen op. ‘Ik kan duizend keer senator zijn van Nederland, ik blijf een Molukker. Dat kan niemand me afpakken. Je ziet mij niet zwaaien met een Nederlands paspoort. Daar zou ik een veel te grote pijngrens voor doorheen moeten.’

Wie zich verdiept in het verleden van Sam Pormes zou zijn persoon misschien moeilijk kunnen verenigen met het nette, ietwat stijve beeld dat aan de Eerste Kamer kleeft. Zo wordt hij in verband gebracht met de Molukse treinkapingen in de jaren zeventig en een schietpartij op twee agenten in Assen. Ook zou hij hebben deelgenomen aan een guerrillatraining in Zuid-Jemen bij een radicale Palestijnse verzetsbeweging. ‘Zo ruig was het allemaal niet, hoor. Het gedoe rondom die schietpartij, dat was wel heftig. De rest is allemaal roddel en achterklap. Je maakt genoeg vijanden in de politiek. Voor die schietpartij werd ik opgepakt, veroordeeld en later vrijgesproken. Ik vond het eerlijk gezegd wel een boeiende tijd. We hadden zoiets van: laat ze ons maar veroordelen, die zaak winnen we uiteindelijk toch wel. We gingen letterlijk zingend naar de rechtbank. We voerden gewoon actie.’

Maar er zijn ook activiteiten die zich meer laten rijmen met zijn latere benoeming als senator, zoals het onderwijs, de verslavingszorg en ontwikkelingssamenwerking. Allemaal belangrijke schakels in zijn loopbaan, waar de strijd voor emancipatie van de Molukse gemeenschap in Nederland en in Indonesië als rode draad doorheen loopt.

Als kind van een van de enkele duizenden Molukse gezinnen die kort na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 naar Nederland kwamen, kreeg hij veel mee over de tijd dat de Nederlanders er nog de scepter zwaaide. Typerend voor die generatie – de kinderen van de Molukse immigranten – was de invloed van het kolonisatietrauma van de ouders en de achtergestelde woonsituatie waarin ze opgroeiden. Aanvankelijk was door de overheid bepaald dat het verblijf in Nederland van de Molukkers van tijdelijke aard zou zijn, waardoor weinig geïnvesteerd werd in huisvesting. Veel families kwamen terecht in zogenaamde woonoorden, zoals het voormalig concentratiekamp Westerbork.

Omdat zijn vader als telegrafist werkte voor de Nederlandse Marine streek het gezin Pormes neer in Den Helder. Hij kan zich nog goed herinneren dat begin jaren zestig zijn vader op missie ging naar Nieuw-Guinea, het enig overgebleven deel van Indonesië dat nog van Nederland was. Zijn vader kwam uiteindelijk steeds meer in gewetensnood, waardoor hij weigerde bij te tekenen. Daarmee verspeelde hij een royaal pensioen. Ook stuurde hij verschillende onderscheidingen terug.

‘Dat was een daad van verzet van mijn vader die van invloed was op mijn opvoeding. Hij is toen gaan werken in een fabriek. Ik ging soms mee met mijn vader en zag dat hij een gewone arbeider was geworden, die werd afgesnauwd door een baas. Van gerespecteerd marineman tot afgesnauwd fabrieksarbeider; dat heeft mij als kind veel pijn gedaan. Het gevoel van onrechtvaardigheid is vanaf dat moment sterk gaan leven.’

De opvoeding die Sam Pormes kreeg was van gemiddeld traditionele aard, met normen en waarden ontleent aan het Christendom en de Indonesische cultuur. Zijn ouders hadden moeite met de Nederlandse gebruiken en omgangsvormen, die sinds de revolutie van de jaren zestig steeds losser werden. De oude generatie was nog gewend met twee woorden te spreken en op school de leraar meester te noemen. Maar vooral hadden ze moeite met de gebrekkige zorg voor de familie bij de doorsnee Nederlander en dat je op afspraak bij elkaar langskomt. ‘Bij ons kon je ervan op aan dat je geholpen werd als je problemen had, en zeer belangrijk was dat je voldoende eten in huis had voor een onverwachte gast. Had je niet voldoende in huis dan was je beschaamd.’

Het grand café de Passage in Assen ademt een exotische sfeer. Midden in het vertrek staat een goudpalm die tot vlak onder het ornamentele plafond reikt. De ruimte is behaaglijk gevuld met een stomende espressomachine en Cubaanse jazz. Gelijk het grand café is Sam Pormes’ voorkomen ontspannen en toegankelijk. Ondanks dat we achter in een hoek zitten, ontsnapt Sam Pormes niet aan de aandacht van menig bezoeker. Om de haverklap beantwoord hij een groet met een half opgestoken hand of knipoog, zonder daarbij zijn aandacht voor ons gesprek te verliezen. Hij werd bekend in Assen als gemeenteraadslid, kort voordat hij gekozen werd voor de Eerste Kamer.

Assen is ook de plaats die onlosmakelijk verbonden is met het Moluks verzet. In 1978, tien jaar voordat Sam Pormes er gemeenteraadslid werd, was Assen nog het strijdtoneel van een gijzeling in het provinciehuis.
De strijd voor de Molukse zaak was voor Sam Pormes al op jonge leeftijd onvermijdelijk. Het begon met de dag dat een groep Molukse jongeren in 1970 de woning van de Indonesische ambassadeur in Wassenaar bezette. Dit was het begin van een periode dat radicale Molukse jongeren met steeds hardere acties aandacht opeiste voor de Molukse onafhankelijkheidsstrijd in Indonesië.

‘Ik zat toen op school in de Watergraafsmeer in Amsterdam en werd bij de directeur geroepen. Hij vroeg mij hoe het nu zat met die Molukkers, of ik daar wat meer inzicht over kon verschaffen. Voor hem was het vanzelfsprekend dat ik daar alles over wist. Maar ik wist helemaal niets daarover. Ik was zestien en hield me tot dan toe alleen bezig met voetballen en uitgaan. Het was voor het eerst dat ik besefte dat ik gezien werd als anders, als niet-Nederlander. Ik kreeg het gevoel dat ik mijn aanwezigheid moest rechtvaardigen. Zo werd ik me steeds meer bewust van mijn Molukse afkomst, met als gevolg dat ik ging solidariseren met het Moluks verzet. Intuïtief wel te verstaan, want van de hele zaak van die groep in Wassenaar wist ik geen bal af. Een naïeve solidariteit was het.
Ik kan me de situatie van Marokkanen dan ook heel goed voorstellen. Als je constant wordt aangesproken op je afkomst, dan trek je je terug in je schulp. Dat is een natuurlijke reactie.’

Sam Pormes ging zich toen pas echt verdiepen in de Molukse zaak. Hij ging van de ene bijeenkomst naar de ander en las er veel over. Ook ging hij er op een ander niveau met zijn ouders over praten. Zijn vader vertelde over de verschillende behandeling bij de Marine. Zo kregen Molukkers een slechter slaapvertrek en soberder eten. In Nederland bleef die ongelijkheid gehandhaafd door de woonoorden en mochten Molukkers de eerste jaren na aankomst, begin jaren vijftig, niet werken. Eigen volk eerst, was toen het credo. ‘Sinds die bewustwording over onze afkomst en het onrecht tijdens het koloniale bewind werd de groep die radicaliseerde binnen mijn generatie groter. Wij voelden de pijn die onze ouders was aangedaan en dat uitte zich in agressie. Het eerste effect van bewustwording is boosheid, niet bevrijding. Zeker als je jong bent. Pas als je die boosheid weet te kanaliseren en te koppelen aan slimme acties krijg je een soort bevrijdingseffect. Er was in het begin geen ideologie, geen tactiek, slechts blinde woede.’

Het was een turbulente periode, demonstreren en je afzetten tegen de gevestigde orde was pas uitgevonden. Met de introductie van de ‘NS tienertoer’ eind jaren zestig kreeg de Molukse jeugd de mogelijkheid hun frustratie in heel Nederland te botvieren. Grote groepen trokken als een wervelwind door het land, een spoor van vernielingen achterlatend.

Uiteindelijk ontstonden uit de Molukse bewustwording twee stromingen: een radicaal politieke en een emancipatoire. Bij de laatste voelde Sam Pormes zich het meest thuis.

‘Toen ik in de verslavingszorg ging werken, was heroïneverslaving onder Molukkers een gigantisch probleem. Een op de twee gezinnen had een verslaafd kind. Via een onorthodoxe methode hebben we dat adequaat weten aan te pakken. Omdat de familiebanden sterk zijn onder Molukkers, was onze strategie om met een broer of zus en plan van aanpak op te stellen. Die maakten we medeverantwoordelijk. De aanpak was zeker niet altijd democratisch en zachtzinnig, als het moest sloten we iemand op. Dan kwamen we weer in aanvaring met het consultatiebureau. Die zette daar grote vraagtekens bij. Het was heel intensief. Dag en nacht waren we daar mee bezig.’

Naast het basale gezondmaken van de gemeenschap, richtte de emancipatiebeweging zich op het creëren van bewustwording onder Molukkers. De gedachte was dat je inzicht geeft hoe onderdrukking werkt om uiteindelijk een bevrijding te realiseren vanuit een Moluks collectief bewustzijn. Vanuit die eerste emancipatiestappen zouden ze zich verder gaan ontwikkelen als gemeenschap en een voorhoede gaan vormen voor migranten.

De beweging bestond op een gegeven moment uit ongeveer vierhonderd jongeren. Maar het is niet helemaal uitgepakt zoals ze hadden gehoopt. ‘We hebben ons verkeken op de hardnekkigheid van het koloniale bewustzijn van de eerst generatie. Ze vonden wel dat ze door de Nederlanders niet goed waren behandeld, maar een aai over de bol en ze waren weer om. Een goed voorbeeld is 1987, toen er een overeenkomst werd gesloten waarbij Molukkers een jaarlijkse uitkering van duizend gulden kregen en een erepenning voor bewezen diensten. Dan kwam de burgemeester langs en stonden ze het Wilhelmus in het Maleis te zingen. Ontstellend vond ik dat! Ik zie dat als de ultieme vorm van kolonisering.

Het kolonialisme is bij die eerste generatie diep geïnternaliseerd. Ondanks al het onrecht beschouwen ze Nederland toch als superieur. Dit hebben we onderschat. Evenals de loyaliteit van de kinderen naar hun ouders. Bewustwording is een, maar je losmaken van het gedachtegoed van je ouders, dat is twee. Je zult namelijk moeten zeggen dat je het niet eens bent met bepaalde keuzes die je ouders hebben gemaakt, door bijvoorbeeld te werken voor het Nederlandse koloniale leger (KNIL). Hoe begrijpelijk ook, want mensen werden geronseld en het was een ontsnapping aan de armoede. Dat uitspreken, betekent weerstand van je ouders. Daarom zijn we geen brede emancipatiebeweging geworden. Het is beperkt gebleven tot een elitaire emancipatiebeweging met een aantal van ons die zijn terechtgekomen in sleutelposities.’

Eind jaren tachtig zette Sam Pormes de stap naar de politiek. ‘Je komt op een leeftijd dat je durft te erkennen dat je bent uitgespeeld. Hoewel ik de Molukse beweging leuker vond, ben ik op een gegeven moment terecht gekomen in de gemeenteraad en later gekozen voor de Senaat. Als je daar eenmaal in zit, ga je er natuurlijk wel serieus werk van maken. Omdat ik iets te zeggen kreeg over wetten, het recht, kon ik hierin veel kwijt van mijn rechtvaardigheidsgevoel. Een wet die in mijn ogen onrechtvaardig was kon ik nu tegen stemmen. Zo oefen je direct invloed uit. Maar die Eerste Kamer bleef voor mij wel iets met veel mystificatie. Mensen kijken tegen je op als senator, je wordt alom gerespecteerd, maar inhoudelijk stelt het eigenlijk weinig voor. Een keer in de maand mag je tegen een riant salaris wat boksen met de minister, maar van een echte kritische blik op wetsvoorstellen is in mijn optiek geen sprake. Als de Eerste Kamer echt serieus haar werk zou doen, zou de helft van de wetten in de prullenbak verdwijnen. Achteraf blijkt dan ook vaak dat er veel reparaties gedaan moeten worden aan wetten. Er spelen veel partijpolitieke zaken. Het gaat ten koste van integriteit.’

Het gezag dat je als senator hebt wist Sam Pormes goed te benutten. Elk jaar bezocht hij de eilandengroep in het oosten van de Indische Archipel, maar eens in de rol van senator kwam hij tot de ontdekking dat zijn stem gehoord werd. Zo zocht hij hulporganisaties op die de corruptie aan de kaak stelde en dat nu in gezelschap van een Nederlandse senator ook publiekelijk durfden te zeggen. ‘Ik kreeg wel een telefoontje van de Nederlandse ambassade dat ze het niet zo leuk vonden dat ik me als vertegenwoordiger van de Nederlandse Staat daarmee bemoeide.’

Gecombineerd met zijn baan als senator was Sam Pormes in die periode ook directeur van het Centrum voor Internationale Samenwerking Drenthe. Zijn aandacht voor de Molukse zaak verschoof nu steeds meer naar de Molukken zelf. Aanvankelijk wilden ze aan rechtshulp doen, bescherming van mensenrechten, maar daar wilden niemand zijn vingers aan branden. Samen met partnerorganisatie Novib zijn ze zich gaan richten op armoedebestrijding en good governance.

Het zijn onderwerpen waar Sam Pormes, tegenwoordig werkzaam als consultant voor ontwikkelingsorganisaties, zich nog steeds mee bezig houdt. ‘Ik ben veel te laat teruggegaan naar Indonesië. In 1988 voor het eerst pas. Daar heb ik achteraf spijt van. Ik zag het altijd als iets voor mijn pensioen, maar ik had meer kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van Indonesië als ik daar eerder mee was begonnen. Als ik daar ben voel ik heel sterk de geestdrift om me daar voor in te zetten. Op afstand is het gevoel van solidariteit toch minder. Solidariteit heeft behoefte aan verbondenheid. Daarvoor moet je onder de mensen zijn.’

Bewust heeft Sam Pormes het over de ontwikkeling van niet alleen de Molukken, maar heel Indonesië. Waar een grote groep Molukkers na de onafhankelijkheid van Indonesië een eigen Zuid-Molukse staat nastreefde, met beloofde hulp van Nederland, moest Sam Pormes daar niets van weten. Hij beschouwde dat als een verlengstuk van het Nederlands kolonialisme; de Zuid-Molukken als twaalfde provincie van Nederland. Hij identificeerde zich juist met de Indonesische vrijheidsstrijd van Soekarno. Deze had een Indonesische eenheidsstaat voor ogen.

Sam Pormes’ gevecht tegen het demon van het kolonialisme, komt duidelijk naar voren in 2001, als de fracties van de Eerste Kamer zijn uitgenodigd voor Prinsjesdag. ‘Ik kon het niet opbrengen op te staan voor de Koningin en drie keer hoera te roepen. Het Koningshuis heeft nooit spijt betuigd voor de rol die zij zelf heeft gespeeld tijdens het kolonialisme. Zij zouden zich er bijvoorbeeld van bewust moeten zijn dat veel Indonesiërs in de Tweede Wereldoorlog zijn vermoord, doordat zij door de Japanners waren betrapt met een foto van Koningin Wilhelmina onder het kussen. Ze hebben de trekker niet overgehaald, maar ze moeten zich realiseren dat al het handelen tijdens het kolonialisme in naam van God en het Koningshuis was. Dat zat ingebakken bij de mensen. Duizenden mensen zijn omgebracht alleen voor het zingen van het volkslied en het bewaren van een oranje sjerp. Het heeft ons Molukkers en andere Indonesiërs ontzettend goed gedaan toen in 2005 minister Bot zei: ‘We stood on the wrong side of the history’. Helaas ging hij daarmee niet zover door te zeggen dat de dienstweigeraars aan de goede kant stonden. Deze zijn nooit gerehabiliteerd.

Bij een 4 mei herdenkingsdienst op de Dam in Amsterdam realiseerde ik me hoe moeilijk en complex vrijheid soms is. Bij het opnoemen van gevallen soldaten en verzetsstrijders werden ook de KNIL-militairen geëerd. Zij hadden gevochten tegen de Japanners, maar ook elke vorm van vrijheidsstrijd van Indonesiërs hardhandig de kop in gedrukt. De vrijheid van de een, is de onderdrukking van de ander. Mijn gedachte was onmiddellijk: ik zou me nu als Nederlandse verzetsstrijder in mijn graf omdraaien. Het doet geen recht aan de Indonesiërs en ook niet aan de Nederlanders zelf.’

Als senator hield Sam Pormes zich onder andere bezig met de onderwerpen Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking. Het Midden-Oosten is daarbij al decennia lang het meest behandelde dossier. Wat hem daarin steeds weer opvalt is het gebrek aan objectiviteit, door Israël niet aan te spreken op de inbreuk die zij pleegt op het internationale recht in het conflict met de Palestijnen. Ook de weinig kritische houding ten opzichte van de Verenigde Staten, noemt hij typerend. ‘In mijn optiek spelen hierbij niet zozeer de economische belangen, alswel het collectieve schuldgevoel van de Holocaust en de eeuwige dank aan de Amerikaanse bevrijders. Net als wij Molukkers hebben de Nederlandse politici het trauma van de narigheid die hun ouders hebben meegemaakt geërfd. De impact van oorlog is generatieoverschrijdend.’

Sam Pormes is een man die de wereld met een kritische blik volgt, daarbij zichzelf niet sparend. ‘Mensen zeggen vaak hoe goed het is wat ik heb gedaan voor de Molukkers en Indonesië, maar het is ook eigenbelang. Ik koop er voor een deel mijn geweten mee af. Je kan een heel idealistisch verhaal houden, maar als je heel diep in je hart kijkt, doe je het ook gewoon voor jezelf. Onlangs, tijdens een bezoek aan de Molukken, heb ik een familie financieel ondersteund bij een begrafenis. De dankbaarheid die je dan ontvangt geeft je een geweldig gevoel. Als je geeft krijg je een goed gevoel terug, en is dus voor een deel eigenbelang.

Het grootste gevaar bij idealisme is arrogantie, dat je gaat denken dat je echt belangrijk bent. Dat is onzin, niemand is onmisbaar. Ik heb het geluk dat ik vaak naar het dorp van mijn vader ga op de Molukken. Een heel eenvoudig dorp, waar je door de eenvoud leert weer mens te zijn. Dat ik senator was, kan ze worst wezen. Ze zijn daar wel trots op, maar ik ben gewoon een van hun. En ik heb geluk met mijn gezin. Die hebben me altijd kritisch bejegend. Niet zo lang geleden was ik in het dorp van mijn vader om de verkiezingen waar te nemen. Daar was ik in een kerk waar mensen in het zwart gekleed waren en blootsvoets; de ultieme uiting van nederigheid en eenvoud. Zulke dingen raken me.’

Bijdragen
Reacties