Artikel

Een nieuwe tijd - Marjolijn van Heemstra

Voordracht over de Nieuwe Tijd (de wederopbouw) voor de jaarlijkse bijeenkomst van programmamakers 4&5 mei Amsterdam. Uitgesproken op 23 maart 2017 in het Planetarium van Artis, Amsterdam.

Marjolijn van Heemstra
Dit wordt een hoopvol verhaal. Het eindigt zelfs met de woorden ‘gelukkig zijn’. Dat verbaasde me, want toen ik begon met schrijven zag ik het somber in. Een verhaal over de wederopbouw, bezien vanuit onze tijd: in het beste geval zou je er melancholisch van worden, in het slechtste geval cynisch. Want wat is er terecht gekomen van al die glorieuze na-oorlogse plannen? Van de voornemens (dit nooit meer!) en het collectieve optimisme dat ons de Europese Unie opleverde en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens? De EU kraakt in haar voegen, mensenrechten staan onder druk en wie durft er nog optimistisch te zijn?

Ik zag het zo voor me: drie delen. In het eerste deel van dit verhaal zou ik iets zeggen over veerkracht en hoop, in het tweede deel zou ik die hoop aan diggelen slaan. Dan zou er een conclusie volgen over de uitzichtloze verwarring van deze tijd. Ik zou u troosteloos achterlaten. Maar er kwam iets tussen. Een zin, een herinnering en toen dus dat hoopvolle einde: gelukkig zijn.

Dat is voor straks, nu eerst het begin.

 

  1. Hoop.

Natuurlijk valt er wat af te dingen op de glorie van de na-oorlogse jaren. Ze waren saai en grijs, als we de grote schrijvers moeten geloven, er was kolonialisme, antisemitisme, armoede en rouw, maar toch. Door de oogharen bekeken en licht uitgezoomd was de nieuwe tijd een geweldige tijd.

 

Een tijd waarin grote leiders zonder gene over wereldvrede spraken. De tijd van Churchills dominante optimisme, het troostende humanisme van Camus en deze oproep tot verbinding van Albert Einstein: “Een mens is deel van het geheel dat wij universum noemen, een deel dat begrenst is door ruimte en tijd. Hij ervaart zichzelf, zijn gedachten en gevoelens, als iets wat hem van alle anderen scheidt, een soort optische illusie van zijn bewustzijn die ons beperkt ons tot onze persoonlijke belangen en de liefde voor een paar mensen in onze onmiddellijke nabijheid. Uit deze illusie moeten we ons bevrijden door in onze cirkel van mededogen alle levende wezens en de gehele natuur in te sluiten.”

 

Ja, die noem ik niet voor niets, die ken ik uit mijn hoofd.
Hij hing vroeger bij mijn oma op de wc.
Mededogen. Insluiting. Liefde. Ik vond dat zo fantastisch dat ik er een paar keer per dag speciaal voor op de bril zat.

 

Ik ben zoals veel van ons opgegroeid op een dieet van na-oorlogse idealen. Toen ik elf was ging ik zelfs naar een vakantiekamp ter bevordering van de vrede: Children International Summer Villages. CISV werd opgericht na de oorlog vanuit de gedachte dat ontmoetingen tussen kinderen uit verschillende culturen begrip en liefde kweken bij toekomstige generaties.
Een maand lang zaten we met twintig delegaties van over de hele wereld in een oud schoolgebouw in Engeland. ’s Ochtends zongen we hand in hand rond een vlag met daarop een afbeelding van zingende kinderen rond een vlag. ‘Different race and different land, here we come to understand.’ We hielden presentaties over onze verschillende culturen en werkten in groepjes aan oplossingen voor internationale problemen. De lat lag hoog, voor minder dan wereldvrede gingen we niet. Om elkaar nog beter te begrijpen ruilden we allemaal met iemand van klederdracht. Opvallend genoeg scoorde trouwens de delegatie zonder klederdracht het hoogst bij deze activiteit. De Amerikanen waren bij gebrek aan een national costume allemaal verkleed als candy bar. Het mooiste was de grote rode M&M van een klein blond meisje, die wilde iedereen. Ik was dan ook duizelig van geluk toen ik werd uitverkoren vanwege mijn wooden shoes. De ochtend dat ik haar kostuum kreeg herinner ik me als een van de gelukkigste momenten in mijn leven. We stonden in een grote gymzaal en direct na het ruilen hadden we tai chi les van de Chinese delegatie. Ik stond tussen een jongen uit Burkina Faso en een meisje uit Noorwegen, verkleed als M&M te tai chi’en voor de wereldvrede en ik wist: beter wordt het niet.
Toen we na een maand uit elkaar moesten huilden we met alle twintig delegaties de hele nacht lang op kleine blauwe matten in de gymzaal. We beloofden elkaar te schrijven, te bellen, op te zoeken en vooral: nooit te bestrijden.

 

Wij zouden de wereld verbeteren. Wij zouden ons leven lang zingen rond een vlag.
Wij hadden van de geschiedenis geleerd.

 

Een van de meest vormende ervaringen uit mijn jeugd is dus direct te herleiden tot de idealen van die na-oorlogse jaren. Het bezorgde mij een levenslange fascinatie voor grote, verbindende bewegingen. Bijvoorbeeld die van Gary Davis, een jonge Amerikaanse bommenpiloot die vlak na de oorlog zijn paspoort verscheurde en zichzelf uitriep tot wereldburger. Naïef en onmogelijk in onze tijd, maar in zijn tijd, die goeie ouwe nieuwe tijd, werd hij serieus genomen in zijn verlangen de grenzen op te heffen. Honderdduizenden mensen volgden Gary’s voorbeeld, verscheurden hun paspoort en noemden zich wereldburger. Eleanore Roosevelt verklaarde zich solidair, net als Einstein, Schweitzer en Camus. Ze schaamden zich niet om idealistisch te zijn, om te streven naar harmonie.
Nu ik erover nadenk is dat nog wel wat mij het meeste raakt aan die ouwe nieuwe tijd. De afwezigheid van ironie. Het lef om te geloven in de goedheid van de mens.
Je niet te hoeven schamen omdat je met de handen stevig in elkaar wilt zingen voor de wereldvrede.

 

 

2. Trump, Wilders, Poetin, lePenn, filterbubbels, fake news, fort Europa, Brexit, Assad, Boko Haram, ISIS, illegalen, Aylan, Erdogan, klimaatramp, kruistocht, kloof, crisis, angst, stress, Lesbos enzovoorts enzovoorts –

Je zou zomaar kunnen we denken dat we voor voor Jan lul stonden te zingen rond die vlag.
En dat leek me de conclusie.

 

Het einde van het elfjarigenkamp. Koffers pakken. Vlag oprollen en met die vlag ook de idealen waarmee we opgroeiden. Iedereen in zijn eigen klederdracht naar huis. Ik wilde eindigen met een opmerking over geluk, en wat het betekent als een van je gelukkigste momenten gebaseerd is op een luchtkasteel.

3.

Toen schoot me een zin te binnen. Ik weet niet waarvandaan, hij flitste door mijn gedachten, zoals licht op water spiegelt. Een korte vonk. Een zin uit een boek dat ik niet eens heb gelezen, maar wel gekocht omdat ik die losse zin ergens tegenkwam en hij me bijbleef: ‘We moeten ons Sysifus voorstellen als een gelukkig mens.’
Het komt uit ‘De mythe van Sysifus’, waarin Camus de mensheid vergelijkt met de mythische figuur die in opstand kwam tegen de goden en gestraft werd met zinloosheid.
(De achterflap heb ik wel gelezen dus ik weet in grote lijnen waar het over gaat.) Sysifus moet zijn hele leven een steen een berg op rollen die er vervolgens weer vanaf rolt. De verleiding is groot om Sysifus mallotig te vinden, om in de geschiedenis het rollen van zijn steen te zien. We bouwen op, we breken af, we komen nergens, het is absurd en daar gaan we weer, we stijgen, we dalen, we zingen, we hopen, we haten en we leren niets.

 

Maar misschien, dacht ik toen ik aan die zin dacht, stellen we onszelf de verkeerde vraag. Gaat het er niet om of we van de geschiedenis leren, maar wat we van de geschiedenis leren.
Niet op het niveau van de exclusieve gebeurtenissen, niet de jaartallen, de aantallen, de specifieke taal en tekens uit die tijd, maar op een ander, meer verborgen niveau.
De dynamiek van oorlog en vrede, van verwoesting en wederopbouw. Van een steen die naar beneden dendert en een veerkrachtig figuur dat hem zonder morren weer de berg opduwt. Dat is de beweging van die ouwe nieuwe tijd.
De grootste ellende bracht de grootste dromen teweeg. Vernietiging bracht vitaliteit.
Misschien gaat het er alleen maar om ons niet te laten verpletteren door de zwaarte van deze tijd maar haar te wegen, heel precies het gewicht te bepalen zodat we aan de hand daarvan kunnen bepalen wat het tegenwicht moet zijn.
Misschien leert de geschiedenis ons alleen dat elke kracht een tegenkracht heeft die we kunnen verwaarlozen of voeden.
Laat ik het zo zeggen: we kunnen moedeloos worden om wat er niet gelukt is, maar we kunnen ook moedig worden om wat er is geprobeerd.
Bij het citaat van Einstein dat op mijn oma’s wc hing hoort nog een laatste zin:

 

Niemand gelukt het volkomen, maar het streven ernaar is reeds een deel van de bevrijding en een grondslag voor onze innerlijke zekerheid.’

 

Typisch nieuwe-tijdsgezwijmel. Maar toch, maar ook: een geschiedenisles. En misschien wel de enige les die ze ons werkelijk kan leren.

De berg op. Gelukkig zijn.

www.marjolijnvanheemstra.nl

 

Marjolijn van Heemstra

 

 

 

Alle rechten voorbehouden