Nieuws

Ooggetuigen Bevrijdingsvliegtuigje 1945

Verhalen, foto's en film

In de vroege ochtend van 5 mei 1945 landde in het geheim een geallieerd Auster-vliegtuigje met twee Nederlandse piloten in Amsterdam. Als provisorische landingsbaan diende een opgespoten stuk zand aan de Stadionkade in Amsterdam Zuid.
De reden van de komst van de piloten was hoogstwaarschijnlijk om de verzetsman majoor Kamphuis op te halen, waarschijnlijk omdat hij over belangrijke informatie over de komst van de Canadese troepen beschikte.
Het was geen ongevaarlijke missie: hoewel een deel van Nederland bevrijd was, was Amsterdam nog onder Duits bewind. De landing moest dan ook in diepste geheim plaats vinden.

Later die dag landden nog twee vliegtuigjes van hetzelfde soort, wederom aan de Stadionkade. Ditmaal met kapitein Nienhuis aan boord, die het vliegtuigje gebruikte om zijn familie in Amsterdam te bezoeken. Hij werd met luid gejuich onthaald door de bewoners van de Stadionbuurt. De volgende dag stonden schreven de verzetskrant uitgebreid over de komst van Nienhuis en de landing van het ‘bevrijdingsvliegtuigje’.

Voor velen was het landden van deze vliegtuigen een teken dat het einde van de bezetting nabij was. Het Amsterdams 4 en 5 mei comité vroeg ooggetuigen van de landingen naar hun verhaal.

Het bevrijdingsvliegtuigje zal op 5 mei 2017 terugkeren naar Amsterdam en te zien zijn bij de Grootste Vrijheidsmaaltijd van de stad op het Museumplein.

Foto vliegtuigje op de Stadionkade, uit collectie Nienhuis.

Naar aanleiding van onze oproep hebben ooggetuigen van toen zich gemeld bij het Amsterdams 4 en 5 mei comité. Maar ook is er film- en fotomateriaal binnen gekomen.

Het vliegtuigje zal op 5 mei 2017 te zien zijn op het Museumplein tijdens de Grootste Vrijheidsmaaltijd van de stad (17 -20 uur).
Kijk hier voor het programma

Lees hier meer over de ontdekking en historie van het vliegtuigje

Uniek filmpje

Willem Cornelis Willems (1903), woonde aan de Stadionkade, en was een verwoed filmer. Hij heeft heeft het vliegtuigje gefilmd in 1945! Je ziet de piloot en mensen bij het vliegtuig, er worden kranten uitgedeeld en je ziet het vliegtuigje opstijgen. De datum zal 5 – 8 mei zijn, is niet geheel duidelijk. Zijn dochter Els Kronenburg-Willems stelde dit filmpje ter beschikking.

Film vliegtuigje mei 1945. Alle rechten voorbehouden, geen gebruik zonder toestemming van Els Kronenburg-Willems.

 

Hij stond ’s ochtends een sjekkie te roken met Bernhard en die zei: Ga je familie maar halen’ - Joost Nienhuis over zijn oudoom Kapitein Harry Nienhuis (1908-1962)

Tijdens de bezetting had Nienhuis zijn sporen als vlieger ruimschoots verdiend: als leerling-vlieger ontsnapte hij kort na het uitbreken van de oorlog in een lesvliegtuig naar Engeland, vanuit Nederlands-Indië nam hij deel aan de strijd tegen Japan en vloog later vanuit Engeland voor de geallieerde troepen. Toen het einde van de oorlog naderde werd kreeg hij de leiding van het in Engeland gevormde Nederlandse Auster-squadron. Deze eenheid – ook wel circus Nienhuis genoemd - werd geplaatst in het reeds bevrijde Gilze-Rijen, vanwaar het post en koeriersdiensten vloog.

Op 6 mei landden twee Austervliegtuigjes in de hoofdstad. Het ene toestel werd gevlogen door Nienhuis, het andere door een piloot genaamd Hoekstra. Het ging ditmaal niet om een verkenningsmissie, maar om een bijzonder familiebezoek.

Joost Nienhuis kent het verhaal over de landing van zijn oudoom Harry Nienhuis van zijn vader: ‘Harry Nienhuis was de broer van mijn opa. Toen Harry in Gilze-Rijen gestationeerd was, verbleven mijn opa, Herman Nienhuis (1910-1908) en oma, Derkje Nienhuis-Sipman (1919) nog in Amsterdam met hun pasgeboren zoon Wim (1944-2011), mijn vader. Op de vliegbasis in Gilze-Rijen was ook prins Bernhard, immers ook een piloot. Er heerste daar heel erg een oude jongens krentenbrood-sfeer en Bernard zei tegen Harry “Ga jij je familie in Amsterdam maar ophalen”. Voor vertrek hielp hij zelfs nog met tanken.’

Bij aankomst in Amsterdam werd Harry met groot gejuich onthaald en nog op de zanderige landingsbaan begroet door zijn broer Herman. Ook waren er een aantal journalisten van ondergrondse kranten aanwezig om polshoogte nemen:

Toen Harry vertelde dat hij zijn familie kwam opzoeken konden ze hun oren niet geloven. Zij dachten dat het om een geheime missie of iets dergelijks ging. Harry kreeg ook op zijn kop daar in Amsterdam. Iemand zei tegen hem “Wat is dit nou voor gevaarlijke actie? Zomaar je familie ophalen? Amsterdam is nog helemaal niet bevrijd!”. Harry antwoordde nuchter: “Nou, ik stond vanochtend nog een sjekkie te roken met Bernhard en die zei tegen me: Ga je familie maar halen, dat kan gewoon, het is veilig.’

Vervolgens zwaaiden Nienhuis en Hoekstra de nieuwsgierige en uitgelaten menigte toe vanaf een balkon van een woning in de buurt.

Zo’n vliegtuig kan je natuurlijk ook niet te lang onbeheerd laten. Dus al snel keerde Harry met zijn familie terug naar het vliegtuig. Mijn opa, oma en vader pasten niet allemaal bij Harry in het toestel. Er konden maar twee mensen in zo’n Auster. Mijn opa vloog daarom met de andere piloot, Hoekstra, mee en mijn oma met mijn vader als baby op schoot bij Harry – want je kon in die tijd natuurlijk niet als vrouw alleen met een vreemde man mee, dus mijn oma nam vanzelfsprekend plaats bij haar zwager. Zo keerden ze met zijn allen terug naar het bevrijde Eindhoven.’

Piloot Harry Nienhuis en zijn broer Herman op de zandvlakte, uit collectie Nienhuis. Je ziet Harry in uniform en links (voor de kijker) naast hem Herman.

 

Die mannen kwamen letterlijk en figuurlijk uit de lucht vallen’ - Bert Veenboer (1934)

Op de avond van 6 mei liep Bert over straat toen hij hoorde dat er een vliegtuigje was geland op het zandlandje vlakbij zijn huis.

Ik kan mij herinneren dat wij hadden gehoord dat er een wapenstilstand was getekend. Hoe we dat hoorden weet ik niet meer, want er was al tijden geen krant, geen stroom, geen enkele vorm van communicatie. Door die wapenstilstand dachten wij dat de Duitsers toch niets meer te vertellen zouden hebben en dat we ons niet meer aan de spertijd hoefden te houden.
Het was die avond prachtig weer en allerlei mensen wandelden op straat. Al snel hoorde ik zeggen, dat er een vliegtuigje was geland.’

Als tienjarige jongen was Bert erg geïnteresseerd in vliegtuigen: ‘Natuurlijk ging ik kijken. Ik dacht dat het wel zo’n Duits gevechtsvliegtuigje zou zijn, die had ik wel vaker gezien.’ Maar tot zijn grote verwondering bleek het een Auster te zijn. Zijn verbazing werd nog groter toen hij de ingezetenen van het vliegtuigje zag:

Toen ik terugliep van het zandlandje zag ik op de hoek van het Van Tuyll van Serooskerkenplein twee mannen in een blauw uniform op een balkon staan. Dat waren uniformen van de Britse luchtmacht. Daaronder stond een hele menigte te juichen en te roepen. Het was een vreselijke sensatie, die mannen kwamen letterlijk en figuurlijk uit de lucht vallen!’

Na een tijdje te hebben gekeken naar de mannen op het balkon, liep Bert terug naar huis.
Hij woonde op de Patroclosstraat, waar zijn vader een banketbakkerij had. De grote etalageruit bood uitzicht op het sportveld op het Olympiaplein. Vanachter dat raam had Bert gezien hoe joden waren weggevoerd. Op 6 mei zag hij vanachter diezelfde winkelruit hoe Duitse soldaten aan snelden om de menigte op straat weg te jagen. ‘Ze liepen schietend over de Stadionweg om die mensen weg te krijgen. Maar met de landing van die mannen in het blauwe uniform was het voor ons zeker: de oorlog was voorbij.’

Foto piloot Harry Nienhuis op balkon, collectie Nienhuis

Als we geluk hadden, kregen we van de vliegeniers iets lekkers’ - Tom van Lenthe (1936)

De laatste weken van de bezetting verbleef Tom van Lenthe in Winkel, een klein plaatsje in Noord-Holland, om aan te sterken van zijn ondervoeding. Op 10 keerde hij per schuit terug in Amsterdam. Hij kwam aan op het Rokin, waar zijn moeder hem ophaalde. ‘Ik had weer bolle wangen en mijn haar was spierwit van alle wandelingen in de zon’.

Eenmaal terug in Amsterdam was er niet zo veel te doen, de scholen waren nog gesloten:

Het terrein van mijn school aan de Stadionkade werd gebruikt door de Canadezen. Ze hadden daar allemaal tenten opgezet en voertuigen staan. Daar gingen we regelmatig kijken, dat was reuze spannend allemaal.’

Ook ging speelde hij veel bij het zandlandje aan de Stadionkade. Al tijdens de bezetting ging Thom hier vaak heen met buurtgenootjes. Duitse soldaten gebruikten het destijds als oefenterrein en schoten op elkaar met losse flodders. ‘Wij gingen dan daar vlak achter in het zand liggen en pakten dan de lege, glimmende hulzen. Wij spaarden die en al snel had ik een hele verzameling.’

Na de bevrijding bleek het zandlandje een landingsplek voor vliegtuigen:

Dat was voor ons natuurlijk machtig interessant om te zien. Bovendien hadden vliegeniers die daar landden hadden vaak iets bij zich, iets van chocolade of iets dergelijks. Als we geluk hadden, kregen wij kleine jongetjes van hen iets lekkers’.

 -----

Ik kende die vliegtuigen alleen van hoog in de lucht. Maar nu stond het plots op de grond!’ - Hubert Neuhuis (1936)

Hubert stuitte per toeval op het vliegtuigje toen hij met een broertje op weg was naar de begraafplaats in Buitenveldert. Hij kwam uit een groot gezin met 7 kinderen en met geen school en weinig te doen, sloeg de verveling al snel toe:

Met al die kinderen op een bovenwoning werd je af en toe wel even weggestuurd door je ouders. Dan moest je jezelf even gaan vermaken. Mijn ouders zeiden soms: “Ga maar even naar het kerkhof, een bloemetje leggen of even bidden. Ga even de deur uit!”

Ik denk dat ik die dag dus op weg was naar het kerkhof in Buitenveldert, want ik had verder niets te zoeken in die buurt. Er lagen daar een stel familieleden, mijn oma bijvoorbeeld. Ik liep dan helemaal van de Jacob van Lennepkade naar Buitenveldert.’

Toen hij bij over Stadionkade aankwam, zag Hubert op de zandvlakte een grote menigte rond een vliegtuigje staan:

Ik kende vliegtuigen alleen uit hoog in de lucht en ik hoorde tijdens de oorlog ’s avonds vaak het brommen van overvliegende vliegtuigen. Maar nu stond het daar plots aan de grond! Ik wurmde mezelf door alle mensen heen om te kijken. Ik vond het heel spannend. Op een gegeven moment moesten we allemaal aan de kant omdat ze het vliegtuigje gingen draaien. Een aantal mensen hielpen bij het trekken van het toestel door het zand. Toen het eenmaal gedraaid was verdween het vliegtuigje in oostelijke richting.

Foto vliegtuigje 5 mei 1945, collectie Nienhuis

Ik gooide een briefje voor mijn familie in Eindhoven door het raampje naar binnen’ - Andre Scheers (1929)

Toen Zandvoort een spergebied werd en een dagje aan de kust voor vele Amsterdammers onbereikbaar was, gingen Andre en zijn familie gewoon naar de Stadionkade in plaats van de kust:

Een kademuur was al gemetseld, maar aan de andere kant liep het zand schuin af in het water. Daar gingen wij dan “naar het strand”. We gingen met alles erop en eraan, we namen gewoon onze strandstoelen mee.’

Op 6 mei ging ik alleen naar de Stadionkade en zag ik daar een vliegtuig staan. Er waren op dat moment niet zo veel mensen, maar ik hoorde dat het vliegtuigje naar Eindhoven zou gaan. Daarop rende ik naar een tante van mij die aan de Stadionweg woonde en vroeg haar om papier en een pen.’

In mei 1945 hadden Andre en zijn gezin al maanden geen contact meer gehad met hun familie in het bevrijde zuiden. Andre zag zijn kans schoon en gooide een briefje door het raampje van het vliegtuig naar binnen.

Ik schreef aan mijn tante hoe het met ons gegaan was de afgelopen maanden en dat we erge honger hadden. Ik had geen idee of het aan zou komen, maar ik wilde proberen op die manier mijn familie te bereiken. Blijkbaar is het briefje aangekomen, want een enige tijd daarna kregen we grote rieten manden met broden en ander eten opgestuurd!’.

Foto piloot Harry Nienhuis en omstanders 5 mei 1945, collectie Nienhuis

Ik was erg verbaasd dat het vliegtuig had kunnen landen, het zand zat vol kuilen gemaakt door spelende kinderen.’ - Ernst van Olffen (1936)

Ik speelde vroeger ontzettend graag buiten. Ik ging vaak op pad met mijn buurjongen en we er veel op het stuk braakliggend, opgespoten zandstuk bij de Stadionkade. Dat lag vrij dicht bij mij huis in de Roelof Hartstraat.’

Vóór de bevrijding gooiden heel laagvliegende vliegtuigen op dat stuk land grote pakketten af met grote blikken gevuld met biscuit!! De gaarkeuken bij mij in de buurt kookte de volgende dag biscuitpap. Ik weet nog precies hoe dat smaakte.

De blikken waren een geliefd object onder de jeugd van mijn leeftijd. Met ijzerdraad bonden we een aantal blikken aan elkaar en we hadden een boot om op de grachten te varen!’

Later zag Ernst op datzelfde zandland een Auster-vliegtuigje staan: ‘Ik zwierf wat rond op dat land. Het was zo vreemd, het vliegtuig stond daar helemaal onbewaakt. Er waren niet veel mensen, dus ik greep mijn kans om het vliegtuig eens goed van dichtbij te bekijken. Ik ben best technisch ingesteld, dus ik bekeek het van alle kanten. Het oppervlak, inclusief de vleugels waren van gespannen linnen en waterdicht gemaakt met een (naar ik me herinner) donkergroene coating (plastic of plastificeren bestond nog niet). Ik dacht toen dat het een postvliegtuigje was. Ik was erg verbaasd dat het vliegtuig had kunnen landen, het zand zat vol kuilen gemaakt door spelende kinderen.’

-----

Via het vliegtuigje weer contact met vader op zee - Arjen Stobbe over Hille Stobbe (1925-2014)

Mijn vader mij vertelde vaak over de landing over de landing van het vliegtuigje in Amsterdam. Hij woonde destijds met zijn moeder in de Jasonstraat en zag de landing van het vliegtuig op wat hij het ‘Zandpad’ noemde. Hij is gaan kijken en vertelde mij later dat de vlieger net voor vertrek vroeg of er mensen waren met familie in het buitenland. Mijn vader dacht toen meteen aan zijn vader, mijn opa.

Leendert Stobbe 1896-1975, Hilles vader, voer tijdens de oorlog bij de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (KNSM). In 1945 was hij al ruim 6 jaar van huis. Gedurende de oorlog was er geen contact tussen Leendert en zijn familie en men wist niet waar Leendert precies was: hij was een aantal keer van schip gewisseld en een aantal schepen was zelfs getorpedeerd. Voor Hille en zijn gezin was het onzeker of Leendert nog wel in leven was.

Hille schreef aan zijn vader dat hij en zijn moeder het goed maakten en dat zijn broer Piet ondergedoken zat in Leeuwarden. Piet was opgeroepen om te werken in Duitsland en had zich zelfs al gemeld in Den Haag, toen hij toch besloot onder te duiken. Mijn opa wist daar helemaal niets van.

Als adres schreef hij alleen de naam van zijn vader en de naam van zijn laatst bekende schip en gaf het aan de vlieger mee.’

Via het Rode Kruis kwam het briefje uiteindelijk aan bij zijn vader. ‘Het is ongelooflijk hoe dat briefje toch goed terechtgekomen is. Voor mijn opa was het een eerst teken van leven sinds lange tijd van zijn gezin in Amsterdam.’

Toen mijn opa later terugkwam had hij cadeautjes voor de familie meegenomen. Dit waren korte broeken en kinderspullen. Mijn opa was zo’n tijd weg geweest, dat hij zijn zoons nog als kleine jongens voor zich zag. Mijn vader was inmiddels 20 jaar oud en grapte later altijd dat hij veel liever sigaretten had gekregen.’

briefje Hille Stobbe

-----

"Ik was toen 9 jaar oud" , John Reiding, uit Hamilton, Canada stuurde het Parool een brief die 15 april werd gepubliceerd

Hoewel het nu zestig jaar geleden is dat ik naar Canada ben geëmigreerd, vind ik het interessant om uw nieuwsbrief dagelijks te lezen en te zien hoe de stad is veranderd en aan het veranderen is. Maar ik kon het haast niet geloven toen ik 30 maart de foto van het vliegtuigje uit 1945 zag. Ik ben vermoedelijk een van de kinderen op de foto, ik was negen jaar oud toen het vliegtuigje op de Stadionkade landde. Ik kan mij dat nog herinneren als de dag van gisteren. Wij woonden toen in de Donarstraat en ik was er meteen heen om te kijken. Er werd toen verteld dat de piloot van het vliegtuigje een Amsterdammer was die de oorlog in Engeland had doorgebracht. Nu blijkt dat de echte reden was een ondergrondse leider op te halen en dat maakt meer sense. Wij waren eigenlijk erg onverstandig om naar het vliegtuig te gaan en de piloot nam een risico, want er waren vermoedelijk nog honderden Duitse soldaten in de scholen in de Donar- en Argonautenstraat. Ik weet niet of dit interessant is voor u, maar dacht: ik moet dat schrijven!

-----

Verhalen van buiten Amsterdam:

Na een tijdje kregen ze ons in de gaten en werden wij pottenkijkers weggestuurd.’ - W. Koopman (1934)

Meneer Koopman woonde tijdens de bezetting in Alkmaar. Hij zag de Auster-vliegtuigjes niet landen in Amsterdam, maar nam als tienjarige jongen een kijkje op het geïmproviseerde vliegveld bij Bergen.

Ik en mijn vriendjes zwierven maar wat rond in die tijd. Ik was veel op pad met de jongens uit de buurt.’ Een van die zwerftochten bracht meneer Koopman en zijn vrienden bij een weiland bij Bergen.

Wij mochten meerijden met een tankwagen van het leger en zo kwamen wij bij dat weiland. Het hele vliegveld van Bergen was vernield tijdens de bezetting. Daar konden ze niet meer landen, daarom kozen ze voor dat weiland. Daar stonden twee grote Engelse legertenten en zes Austers opgesteld. Die werden daar bijgetankt en vlogen vanaf daar alle kanten op.

Koopman en zijn vrienden keken hun ogen uit: ‘Alles wat met militairen te maken had vond ik natuurlijk reuzespannend als jonge jongen. Bij die vliegtuigen liepen een hoop mensen, militairen maar ook politieagenten. Na een tijdje kregen ze ons in de gaten en werden wij pottenkijkers weggestuurd.’

-----

Ik schrok me rot van dat laagvliegende vliegtuig’ - Mevrouw Wever-Mozer (1937)

 

Ik woonde tijdens de bezetting met mijn familie in Haarlem. Toen er aan het einde van de oorlog steeds minder te eten was, besloten we in maart 1945 naar familie in Portugaal te gaan. Mijn twee broers gingen vooruit en wij volgden later. We liepen helemaal van Haarlem naar Portugaal, met mijn 1 jaar oude broertje nog in de kinderwagen. Toen we daar kwamen bleek ook dat daar weinig eten was, maar samen delen was toch beter dan niets!’

Eenmaal aangekomen verbleef het gezin bij verschillende familieleden: Mevrouw Wever woonde bij haar opa en oma, haar broers bij ooms.

Je kon kinderen ook niet zomaar thuis houden, dus ik ging daar ook weer naar school. Op een dag scheerde er opeens een klein vliegtuig vlak langs. Ik schrok me rot van dat laagvlieggende toestel, het geluid was oorverdovend.

In het vliegtuig bleek een neef van de toenmalige burgemeester van Poortugaal, de heer Poest Clement te zitten. Hij probeerde te landen op een grote wei in het dorp, maar deze bleek vol te staan met anti-landingspalen, dus het vliegtuig trok snel weer op. Het toestel cirkelde nog een paar keer laag over het dorp en liet uiteindelijk een klein pakje vallen achter het huis van de burgemeester met een brief waarin hij schreef snel terug te keren.

De dagen daarna werd de wei vrijgemaakt van palen. Enkele dagen landde piloot Andries Poest Clement alsnog het vliegtuigje tussen de koeien in het gras.

-----

 

Alle rechten voorbehouden