Persoonlijke verhalen over de Pontenbrug 1945 (deel1)

Deel 1: verhalen van de heer W.A. van Neerland, de heer Anton Stam, mevrouw Wil Tot Schmitz, mevrouw Cisca Tamir

Op de oproep om persoonlijke verhalen te delen kreeg het Amsterdams 4 en 5 mei comité veel reacties van mensen die in 1945 over de brug het IJ overstaken. Dat was ook toen voor veel Amsterdammers - en vooral kinderen - heel bijzonder. 'Het was een belevenis. Ik ging over de brug, gewoon omdat het kon', aldus Cisca Tamir (1938). Maar de brug staat ook symbool voor moeilijke tijden. In de stad heerste schaarste. Amsterdammers staken het IJ over op zoek naar eten en drinken: barre tochten naar Noord, Waterland of soms helemaal naar de Beemster voor een fles melk of, soms, voor niets.

Hier delen wij hun herinneringen, met dank aan alle mensen voor hun bijdrage.

De heer W.A. van Neerland (1934)

"Met een paar zakken schillen in een wandelwagentje gingen we die Ponten over"

"Ik woonde in de Buiten Brouwerstraat, zijstraat van de Haarlemmerstraat. Met mijn buurjongen gingen we schillen halen in de ‘warme buurt’, De Wallen! Daar tierde de zwarte handel, daar was te eten. Dankzij de oorlog was er natuurlijk overal gebrek aan, dus toen er geen brandstof was om de Ponten te laten varen kwam de Pontenbrug. Die brug dat waren al die Ponten aan elkaar, en dat laatste stuk was van steigers, want met die Ponten alleen kwam het niet precies uit."

"Als jongen zijnde ging ik met mijn buurjongen schillen ophalen waar nog iets te eten was: de Wallen. De scholen waren toen dicht en we hadden een hele strenge winter gehad. Dus gingen we eens per week schillen halen en dan over de brug naar Broek in Waterland. Daar waren alle polders toen ondergelopen, dus het vee stond op stal. We ruilden de schillen voor twee flessen melk. De schillen waren om het vee bij te voederen."

"En dan gingen we weer naar huis toe, weer over die Ponton brug heen. Ik woonde er nog geen tien minuten bij vandaan, ik kan me dat nog goed herinneren: met een paar zakken schillen in een wandelwagentje gingen we die Ponten over. Ik weet nog goed, dat stuk Pontonbrug, dat was nog bestraat ook, aan allebei de kanten was nog een smal voetpad met een houten leuning, dat weet ik nog. Dat ging een paar keer per dag open geloof ik. Ik weet nog dat we ervoor stonden terwijl de brug open was want dan moesten er boten doorsteken, en dan stonden we te wachten."

"Een keer toen ik met mijn buurjongen bij het Centraal Station stond kwamen de Canadezen met hun militaire voertuigen en die gingen de brug over, die gingen naar Noord. Je keek er naar en dat gebeurde gewoon, ik weet niet of dat spannend was… De brug was voor ons ook helemaal niet interessant, dat was pure noodzaak, het was gewoon een praktische verbinding, niets spannends aan.”


De heer Anton Stam (1929)

"Nu wil ik die brug nog een laatste keer zien.”

Voor Anton Stam raakt de pontonbrug aan familiegeschiedenis. Als zestienjarige liep hij over de brug. Hij woonde destijds in de Eerste Oosterparkstraat. “Via de pontonbrug ging ik naar boerderijen in de Beemster – op zoek naar voedsel en drinken. Soms kreeg je iets mee tegen betaling, soms werd je direct van het erf gestuurd. Het waren zware tochten op een gammel fietsje. Als je dat nu aan kinderen en kleinkinderen verteld staan ze je vreemd aan te kijken…”

Met zijn inmiddels overleden vrouw en twee kinderen heeft Stam het vaak over de pontonbrug gehad. Hij kon het alleen nooit overbrengen zoals hij het echt had ervaren, zegt hij. “Toen ik laatst een oude foto van de brug tegenkwam op internet, kwam het wel weer even binnen. Nu wil ik die brug nog een laatste keer zien.”

Lopen over het IJ was spannend, maar volgens Stam waren de controles voorbij de brug het grootste gevaar. Hij is eens aangehouden door Nederlandse SS’ers en Duitse soldaten. “Het gebeurde vlak voor de avondklok, ik was bijna thuis vertelde hij. ‘Die avond werd ik gelukkig niet meegenomen, maar ze namen wel al het eten in dat ik had verzameld. Zo ging dat.” Stam zal op Bevrijdingsdag samen met een vriendin nog eenmaal over de tijdelijke pontonbrug lopen.


Mevrouw Wil Tot Schmitz (1930)

Wil Tot Schmitz is een echte Amsterdamse, geboren en getogen, ze woonde in de Kerkstraat tussen de Leidsestraat en de Spiegelstraat in en deelt haar herinneringen aan de Pontenbrug.

“Ik heb als 14 jarig meisje over de brug gelopen. Dat vond ik heel bijzonder, dat is zo’n merkwaardig gevoel, over het IJ lopen. Jezus loopt over het water…, zo’n gevoel gaf dat! Het was zo onwerkelijk om over dat IJ te lopen. Ik ben enige keren heen en weer gelopen, want ja, dat komt natuurlijk nooit voor. Het was een noodoplossing, al die ponten achter elkaar, om in Noord te komen en weer terug. Het was een belevenis, het IJ is zo prachtig mooi met al die schepen enzo, ik ben er helemaal weg van. Ik ging over de brug, gewoon omdat het kon. Dat zijn van die geweldige dingen, van die flitsen van herinneringen: over het IJ lopen is iets dat eigenlijk niet kan, maar dat je er dan toch overheen loopt…”


Mevrouw Cisca Tamir (1938)

"Je zag vooral vrouwen op de brug, omdat veel mannen weg waren.”

Cisca Tamir woonde in de Jordaan en moest vaak met de pont oversteken naar Amsterdam Noord omdat haar grootouders daar woonden. Ze ging samen met haar moeder want haar vader was in Duitsland.

“Mijn grootmoeder was toentertijd ziek, dus mijn moeder en ik gingen daar vaak naartoe om voor haar te zorgen. We moesten dan met de pont en ik heb nog meegemaakt dat de ponten dan aan elkaar lagen. Dat was een geweldige belevenis. Toen de brug aangelegd werd, was er opeens een verbinding. Je hoefde niet te wachten of niks, je kon er zo overlopen, heel vreemd. Als we dan naar Noord moesten, of over het IJ zoals ze dat toen noemden, dan maakte je van alles mee: bijvoorbeeld dat we tegengehouden werden, of dat de kinderwagens leeggehaald moesten worden als mensen wat meegenomen hadden. Ik heb ook nog meegemaakt dat we moesten wachten omdat er gefouilleerd werd en dat konden we dan zien."

"Als kind zijnde vond ik die brug fantastisch, want het was raar dat je zomaar over het water kon lopen, en dat was voor mij heel bijzonder. Je was ook met elkaar aan het praten en iedereen was verbaasd natuurlijk. Ik vond die boot heel bijzonder… en het grappige is dat wanneer je dan in de stad vertelde dat er een pont was, heel veel mensen het niet wisten! Die mensen kwamen nooit aan de andere kant van het IJ want ze hadden daar niks te zoeken. Totdat op een gegeven moment de Hongerwinter kwam, toen moest men oversteken naar Noord om naar de boeren te gaan, om groente en voedsel te halen; dat werd meegenomen in karretjes en fietsen. Je zag vooral vrouwen op de brug, omdat veel mannen weg waren.”

Alle rechten voorbehouden