Persoonlijke verhalen over de Pontenbrug 1945 (deel 4)

Deel 4: verhalen van de heer R.W.A. Vreeburg, Mevr. Hélène Swierstra, de heer Adri Frijlink, Mevr. Free

Op de oproep om persoonlijke verhalen te delen kreeg het Amsterdams 4 en 5 mei comité reacties. Hier delen wij die, met dank aan alle mensen voor hun bijdrage.

De heer R.W.A. Vreeburg (1940)

“Ik ging toen ik vier jaar oud was vanaf Noord met mijn vader naar mijn oma die in de stad woonde. Dan gingen we dikwijls met de pont over en op een gegeven moment lagen alle ponten aan elkaar dus dan konden we zo doorlopen. Mijn vader liet mij altijd alles zien en leerde me op die manier over de wereld, zo ook over de pontenbrug. Ik had belangstelling voor de brug; als er een boot kwam dan ging er een pont tussenuit. Als klein jongetje vond ik dat mooi om te zien, samen met mijn vader.”


Mevr. Hélène Swierstra (1940)

Hélène Swierstra is zelf nooit over de brug gelopen maar weet nog goed dat haar vader op pad ging, de brug over, om bij de boeren kleding te ruilen voor voedsel.

“Ik was een jaar of vijf, mijn vader ging op pad en wij bleven met drie kinderen thuis in de kou. We werden altijd in bed gestopt omdat het zo koud was. Hij ging naar een boerin in Noord-Holland en vroeg dan wat hij kon ruilen voor eten. De boerin vroeg om jurken en korsetten die mijn vader dan ergens op de kop wist te tikken. We zaten te wachten en dan kwam hij eindelijk met zijn voedsel. Hij had onderweg moeten schuilen want eten werd van je afgenomen door de Duitsers, het was echt een heel gedoe.”


De heer Adri Frijlink (1934)

"Ik woonde in Noord en was toen tien jaar. Mijn herinnering aan de brug is dat ik stiekem met mijn buurjongetje vanaf de Wingerdweg ernaartoe ging. De Wingerdweg ligt een heel eind in Noord en dat is ver van het IJ en de pont vandaan. We kwamen ook haast niet in de stad. Noord was toen, en dat is het nog wel een beetje, afgesloten gebied door het IJ. Wij hadden alles in Noord, dus we bleven daar ook."

"We mochten van mijn moeder niet bij het IJ komen, maar we zijn er in de periode van de Hongerwinter toch een keer heen gegaan toen die ponten aan elkaar lagen. Ik keek alsmaar achterom want mijn moeder kwam altijd op de fiets achter ons aan en dan nam ze de mattenklopper mee als we iets verkeerd gedaan hadden (ik had een hele lieve moeder hoor). Maar dat mocht inderdaad niet, we mochten niet weg om naar het IJ te gaan, maar we zijn er wel geweest. Toen zijn we stiekem over de brug gelopen en ook weer teruggegaan, met kloppende harten hoor! We hebben aan de overkant een paar uur staan wachten want op een gegeven moment ging het middengedeelte ertussenuit want het scheepvaartverkeer moest erdoor."

"Zo’n pont was een gigantisch groot ding in onze ogen toen we nog zo jong waren. Toen die ponten dan aan elkaar lagen en de mensen zo door konden lopen en fietsen was dat op zich natuurlijk een belevenis."


Mevr. Free (1924)

“Ik was toen 20 jaar en woonde in het centrum op de Oostelijke Eilanden, maar mijn vriendin die woonde aan de overkant van het IJ. Nu wordt er gezegd ‘Noord’ maar toen spraken we van de overkant van het IJ. Ik ging naar mijn vriendin toe en dan moest ik over de ponten heen. Ik weet niet of ik dat heel boeiend vond, je moest gewoon, er zat niks anders op.”

Alle rechten voorbehouden