Persoonlijke verhalen over de Pontenbrug 1945 (deel 3)

Deel 3: verhalen van de heer Harry Sablerolle, mevrouw Tini Stovelaar Udo, mevrouw Riet van Schaick, mevrouw Sytske Bekker-Kolk, de heer Hans Muller

Op de oproep om persoonlijke verhalen te delen kreeg het Amsterdams 4 en 5 mei comité vele reacties. Hier delen wij die, met dank aan alle mensen voor hun bijdrage.

De heer Harry Sablerolle (1934)

"De gelukkigste tijd van mijn leven was dat ik toen naar de stad kon lopen. We zaten opeens in het hart van de stad: Noord ligt dichter in het centrum dan de Pijp. Tussen 14.00 en 16.00 ging de middelste ponton uit de brug, om eventueel dwarsverkeer door te laten."

Harry maakte het bombardement mee op de Van der Pek, juli 1943. Hij zat in de Ritakerk toen die gebombardeerd werd (250 doden door ‘friendly fire’). Harry overleefde, en om te bekomen ging hij als klein Amsterdammertje een paar maanden naar Lutjebroek om te herstellen. "Net als nu de mensen die vanuit Syrië hier komen eigenlijk." Toen terug naar Amsterdam, tot de hongerwinter.

Hij woonde tegenover de ADM aan de Meeuwenlaan. Zijn vader werkte voor de TODD, de Duitse kustdefensie. Zijn vader heeft de hele hongerwinter op sterven gelegen. Een onderduiker sleepte de familie de winter door, door honden en katten van de straat te pikken. Harry herinnert zich dat hij over de Leeuwarderweg ging, langs voetbalvereniging VVA, naar Watergang, om voedsel bij de boeren te halen. En op hongertocht, met de handkar helemaal naar Lutjebroek. Op de weg terug had je kans dat je spullen werden afgepakt, zeker voor de mensen die over de pontenbrug terug moesten.

Herinnering aan de bevrijding:
"De buurtkinderen waren geïnstrueerd om de bevrijder die uit het noorden kwam de weg te wijzen: ‘straight on, to the bridge, then to the left’."


Mevrouw Tini Stovelaar Udo (1925)

Tini Stoovelaar-Udo heeft een paar keer per week over de pontonbrug gelopen.

“Ik heb toen ik 19 jaar oud was, in 1944 vanuit de Bos en Lommerbuurt waar ik toen woonde, over de pontenbrug gelopen op weg naar waterland om melk te halen voor mijn pasgeboren neefje, dat een flessenkind was. Er was namelijk geen melk, en als die er al was dan was het te waterig. Ik vertrok 's morgens heel vroeg voordat ik naar kantoor ging. Toen we teruggingen met de melk dan stonden er bij de pont de Landwacht met geweren en die namen de mensen hun voedsel weer af want dat was verboden. Dan ging ik altijd achter iemand fietsen die heel veel op zijn fiets had, die werd dan aangehouden en dan kon ik er net langs glippen."

"Maar één keer werd ik wel aangehouden. Toen zei een van de mannen: ‘Wat heb je bij je?’ Ik had dan weer melk, en dat mocht niet. Ik zei: ‘Ach meneer het is vandaag Sinterklaas en het is een Sinterklaascadeautje voor mijn moeder. De soldaat zei hierop: ‘Dat vind ik een heel raar cadeau’. Toen werd ik zo kwaad en zei ik: ‘Nou dan heeft u zeker nog nooit honger gehad!’ En toen mocht ik doorlopen. Verder kan ik me vooral herinneren dat het die tochten altijd koud en regenachtig waren.”


Mevrouw Riet van Schaick (1933)

“Ik was 10 en mijn zusje was 8 en onze vader die werkte aan de overkant van het IJ vlakbij het Noord-Zuid-Hollandse trammetje. Daar had je een schoolschip liggen, een opleidingschip voor schipperskinderen, van het Koninklijk Onderwijsfonds voor de Scheepvaart, het KOF. Het schoolschip heette de ‘Koningin Wilhelmina’. Mijn vader was daar Kok-hofmeester.
Janny, mijn zusje, en ik gingen dan wel eens naar papa toe. Wij woonden in Amsterdam West in de Bestevaerstraat en dan gingen we helemaal vanuit west lopen, over die ponten heen! Nou dat vonden we als jonge meisjes heel erg leuk en spannend, want we dachten dat we zouden zinken dus we gingen heel hard rennen. Daarna kwamen we aan de overkant en daar lagen allemaal Duitsers in het gras en die gingen ons roepen: ‘meisje, meisje’. Dat hebben we toen tegen onze papa gezegd want die vroeg of alles goed was gegaan. Hij zei dan: ‘Denk erom’, met dat vingertje zo, ‘ga niet naar die mannen toe!’

Uiteindelijk was dat een hele tocht, want fietsen en autopetten hadden we niet dus dan liepen we wel 2 uur. Als we van de pont kwamen, dan was er rechts een strook gras waar allemaal zwervers lagen. Dat waren ‘spiritus drinkers’. Als kind waren we bang voor dat soort mensen want we kwamen uit een beschermd gezin.”


Mevrouw Sytske Bekker-Kolk (1919)

Sytske Bekker-Kolk herinnert zich nog goed dat ze het heerlijk vond dat de ponten aan elkaar lagen. Ze ging dagelijks over de brug omdat ze in Noord woonde en in de stad werkte, en heeft gelukkig weinig last gehad van controle door de Duitsers.

"Je hoefde niet te wachten voor de pont en je kon zo door fietsen. De ponten lagen met de kleppen over elkaar vast. Af en toe moest je wel wachten omdat er een schip door moest en dan werd er een pont tussenuit gehaald."


De heer Hans Muller (1933)

Hans Muller was 12 jaar toen hij over de brug liep.

“Je bent dan op een ondernemende leeftijd en ik zwierf nogal wat door Amsterdam ondanks de Hongerwinter. Ik ging vooral naar de haven want dat interesseerde me altijd, ik ging altijd kijken naar de boten, dus ik ging toentertijd vaak met de pont naar de overkant van het IJ want daar was ook wat te scharrelen. Nou, de laatste maanden ging dat heel moeilijk omdat de pontbrug er toen lag.”

“Ik was op avontuur uit, ik vond de brug interessant, maar aan de andere kant stonden de Duitsers, die hielden daar mensen tegen die met etenswaren uit Noord-Holland kwamen. Daardoor was ik toch altijd een beetje voorzichtig en liep ik vaak weer terug.”

Alle rechten voorbehouden