Artikel

Een monument voor de familie Davids

In het voorjaar van 1943 verliet de familie Davids voorgoed hun huis aan de Cornelis Drebbelstraat in de Watergraafsmeer. Zo stel ik het me voor: Vader Mozes stapte als eerste naar buiten, gevolgd door zijn vrouw Ella en hun kinderen Leni en Eddie. Alle vier hadden ze een koffer bij zich van hetzelfde merk, de ouders een grote en de kinderen een kleine. Ze waren goed gekleed, Ella zelfs modieus. Gewoon een leuk gezin uit de gegoede burgerij. Met een Davidster op hun jas, dat wel. Toen ze alle vier buiten stonden, keek vader Mozes nog een keer de gang in, liep naar binnen om de tussendeur te sluiten en stapte over de marmeren vloer van het halletje weer naar buiten. Hij trok de voordeur achter zich dicht en draaide hem voor de laatste keer op slot. De sleutel stak hij in zijn zak, die zou hij spoedig moeten inleveren. Het was stil op straat, niemand liet zich zien toen het gezin rechtsaf via de Zacharias Jansestraat en de Middenweg richting Sobibor vertrok. Alle vier werden zij daar op de dag van aankomst vermoord, 28 mei 1943. Mozes Davids was 35 jaar; Ella Davids-Witteboon 31; Leni was acht en Eddie niet ouder dan vijf jaar. Vergast.

Een paar jaar geleden publiceerde Het Parool een lijst met adressen van Amsterdamse Joden die gedwongen waren om hun huis te verlaten. Het is een lange lijst, het lijkt wel op een telefoonboek. Ons huis, dat uit 1910 stamt, staat ook op deze lijst. Ik herinner me een soort duizeling toen ik ons adres tussen al die andere adressen zag staan. Het besef dat mijn fijne, veilige huis met de mooie voordeur waar ik zo trots op ben en waar ik met mijn vrouw en onze twee kinderen al jaren een heerlijk leven leid – dat dit huis vroeger ook de thuishaven is geweest van vier slachtoffers van de huiveringwekkendste misdaad uit de geschiedenis - dat besef heeft me geraakt. Wat moet ik zeggen.

Ik weet tamelijk veel van de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, hier in Europa en in Azië. Het interesseert me bovenmatig, ook omdat mijn beide ouders de Japanse kampen op Java hebben overleefd. De combinatie tussen de ‘grote’ geschiedenis en de verhalen van individuen vind ik boeiend. Het geeft diepte aan de zaak, een beter inzicht. Door een individueel verhaal kun je de grote, bijna abstracte historie invoelbaar maken. Het blijkt dan ineens niet te gaan over data, getallen en besluiten van hogerhand, maar om emoties. De kale teksten uit geschiedenisboeken veranderen in menselijke verhalen. Ik heb een film gemaakt over mijn moeder en haar ervaringen tijdens de Slag om Soerabaja in 1945. Met haar ‘kleine’ verhaal kon ik de gebeurtenissen van toen een gezicht geven, een houvast om de kijker mee te nemen in de ‘grote’ vertelling.

Op onvergelijkbaar grotere wijze heeft Anne Frank het getal zes miljoen een onuitwisbare betekenis gegeven. De geschiedenis van de Joodse genocide door nazi-Duitsland heeft me altijd geïntrigeerd. Hoe meer ik erover gelezen heb, hoe minder ik het kan bevatten. De massaliteit, de logistiek, de gekte – ja, de totale waanzin die zich brutaal wist te nestelen in het normale, dagelijkse leven. Iedereen heeft er een klein stukje van gezien, iedereen kende wel een familie Davids, maar niemand kon of wilde opkijken naar de werkelijke grootte van de gebeurtenissen. De enormiteit van de Holocaust is een ankerpunt in onze moderne geschiedenis geworden, ik ben ermee opgegroeid. En ineens krijgt dit ‘grote’ verhaal een zeer persoonlijke kant in de vorm van Mozes, Ella, Leni en Eddie die in mijn huis hebben gewoond. En ik zie mijzelf en mijn vrouw en onze kinderen die ook tegelijkertijd 8 en 5 zijn geweest.

Ik heb geprobeerd om meer te weten te komen over de familie Davids. Ik ben wel iets verder gekomen, ze hadden onder meer een kostganger in huis, Arthur Schickler (Auschwitz, 9 januari 1944, 37 jaar), maar het is me niet gelukt om foto’s van hen boven water te krijgen. Om dit gemis enigszins te compenseren, en om hun namen en hun bestaan aan ons huis te verbinden, heb ik een klein monumentje voor hen gemaakt, pal achter de voordeur. Daar zit een kleine uitsparing in de muur, een ondiepe nis. Hierin staat nu een bronzen beeldje van een mollig vrouwtje dat optimistisch en zorgeloos naar boven blikt. Ze staat op een stevige sokkel, een bewerkt blok rood marmer dat ik in de kruipruimte onder het huis gevonden heb. Het was ongetwijfeld een onderdeel van de originele schouw uit 1910 die ooit bij een modernisering van het huis is gesloopt. De rode sokkel is niet goed geschraagd, hij balanceert op een dun, breekbaar stokje. Het idee is dat het vrouwtje zich veilig waant op de massieve sokkel, terwijl ieder moment dat fundament zelf onder haar voeten kan wegvallen. Op dezelfde wijze heeft ons huis aan de Cornelis Drebbelstraat een schijnveiligheid geboden aan de familie Davids. Het is hen afgenomen, afgepakt, onder hun voeten vandaan getrokken en hun peilloze vrije val eindigde in de gaskamers van Sobibor.  

Amsterdam, februari 2016

Peter Hoogendijk

Alle rechten voorbehouden