Nieuws

Speech Minka Bos voorafgaand aan de Stille tocht

De ruïnes

Eigenlijk had ik hier niet moeten staan.
Eigenlijk hadden wij allemaal hier niet moeten staan.

Het is een vrijdagavond in mei. 18 uur.
Het is mooi weer. De zon schijnt. Ik stel me voor dat om ons heen kinderen rennen. Ze spelen samen, daar is de speeltuin. En uit de open ramen ruiken we etensgeuren. Kippensoep. Er wordt uitgebreid gekookt want het is vrijdagavond. Sabbat. De markt wordt weggeruimd, want op zaterdag is er nooit markt. En de spelende kinderen worden naar binnen geroepen. Om zich mooi aan te kleden voor de sabbat en samen aan tafel te gaan, of om naar de synagoge te gaan.
(...)

Maar toch staan wij hier. Toch staan wij hier en in plaats van de huizen en straten achter ons, staat een stadhuis. In plaats van de levendige joodse buurt die hier ooit was staat een gebouw dat ons in niets herinnert aan het levende verleden en de oorlogsgeschiedenis die daarop volgde.

Wat blijft zijn de verhalen, de herinneringen. Herinneringen die wij met stichting In mijn Buurt kinderen laten ophalen: in heel Amsterdam laten wij kinderen oudere mensen interviewen over de geschiedenis van onze stad: het koloniale verleden, migratieverleden, en de Tweede Wereldoorlog. De kinderen leren die verhalen doorvertellen, als nieuwe ‘erfgoeddragers’. Ook hier, in deze buurt interviewden leerlingen uit de wijk ouderen die zich de ‘jodenhoek’ van toen nog kunnen herinneren.

Zoals Theo Tielenburg, die 6 jaar was toen de oorlog begon, en graag speelde in de grote speeltuin op het Waterlooplein. Hij had geluk want naast de speeltuin woonden zijn grootouders en altijd als de kleine Theo kwam spelen keek hij omhoog, naar de ramen van zijn grootouders om te zien of ze er waren. En altijd stonden ze er: zwaaiend naar hem, hing één van hen uit het raam om een oogje in het zeil te houden, terwijl Theo speelde.
Tot op een dag Theo naar de speeltuin kwam, omhoog keek, en de ramen leeg zag. Zijn grootouders waren er niet meer. Buren vertelden de jongen dat ze waren gedeporteerd, de nacht ervoor. Kleine Theo moest het bericht aan zijn moeder gaan vertellen.
Met de grootouders van Theo werden 61.000 Amsterdammers in de oorlog vermoord. De meeste mensen uit deze wijk verdwenen. Ze lieten hun huizen achter: als kale bakstenen hulzen zonder inhoud. Met spullen waar geen herinnering meer opgeplakt kon worden, achtergebleven als ‘koud materiaal’. De bakstenen hulzen werden leeg geroofd en langzaamaan afgetakeld: in de Hongerwinter werden bielzen en houten balken eruit gesloopt om op te stoken in kachels, om op te warmen of om op te koken.

Kale ruïnes waren er over aan het einde van de oorlog. In een foto in een tentoonstelling in het Stadsarchief over de Rapenburgerstraat -een straat hier om de hoek-, is een grote foto te zien waarin 3 jonge meisjes dansen om een lantarenpaal met achter hen de ruïnes uit hun straat. In gesprek met een oudere Amsterdamse dame vertelde ze me hoe  normaal dat ook voor haar was, de aanblik van die afgetakelde huizen. ‘We speelden gewoon door’ zei ze. Het verleden was nog altijd zichtbaar, maar het leven ging gewoon verder.

Als Amsterdammer heb ik me vaak afgevraagd hoe het zou zijn als de oude ‘jodenhoek’ er nu nog zou zijn geweest. Zou ik ernaar toe gaan, naar de markt? Of zou ik mijn zoontje ernaar toe sturen met een boodschappenbriefje voor speciale joodse etenswaar. Net zoals we nu naar de Ten Katemarkt gaan voor Marokkaanse of Turkse specialiteiten of naar het Anton de Komplein in Zuid Oost voor Surinaamse ingrediënten. En wat zou ik nu doen als 61.000 stadgenoten om mij heen weg gehaald zouden worden? Als het decennialang verbloemde racisme, antisemitisme en homofobie de overhand zouden nemen?
Zou ik moedig zijn, risico nemen, het ongemak aangaan? Of zou ik me wentelen in onwetendheid? Net als de Amsterdammer die in de oorlog in zijn dagboek schreef wat een heerlijke dag hij had gehad: het was zomer, een warme dag. En in zijn dagboek omschrijft hij hoe hij en zijn gezin een fietstochtje maakten, ze bloemen plukten. Op diezelfde dag werden zijn Joodse buren gedeporteerd.

Hoe zou ik zijn? ‘Blijf altijd zelf nadenken!’ hoor ik de Joodse verzetsstrijdster Mirjam Ohringer tegen me zeggen.
Maar hoe doe je dat, als de ruïnes uit de oude jodenhoek er niet meer staan om ons allen daar dagelijks aan te helpen herinneren?

‘Ik denk dat ik misschien wel verrader zou zijn’ zij de 11-jarige Emre tegen de oudere heer die hij had geïnterviewd en met hem een verhaal over verraad had gedeeld. ‘Want wat als ik nou helemaal geen eten meer zou hebben, of drinken. Wat zou ik dan doen?’

‘Ik vind u heel dapper, maar ik denk dat ik zou vluchten’ zei het jonge meisje tegen de oudere dame die de oorlog tenauwernood overleefde, ondanks haar verzetsdaden.

Wat zou ik doen?
Wat zou u doen?

Wat we in ieder geval kunnen doen, is, net als deze kinderen, met open blik het gesprek aan gaan. Het moeilijke gesprek. Want, wat doe je als de oudere emotioneel wordt?

Een gesprek waarin we tijd voor elkaar nemen en durven vragen en luisteren.
En in dat gesprek moet niet alleen het verleden benoemd worden, maar laten we ook die oude ruïnes aankijken en ze niet uit de weg gaan of verhullen.
Die ruïnes, die lijken te zijn verdwenen uit onze stad, maar eigenlijk nooit helemaal zijn weg gegaan.

Minka Bos
4 mei 2018
Uitgesproken bij de Stille Tocht, Stadhuisplein, Amsterdam

41587847194_251bfc8b76_z.jpg

Foto door Mascha Jansen

Alle rechten voorbehouden