Artikel

Vrijheidstoast 2013

Vrijheidstoast en gedicht door Marjolijn van Heemstra

Vrijheidstoast en gedicht geschreven voor de Vrijheidsmaaltijd 2013. Marjolijn van Heemstra heeft de toast op 5 mei voorgedragen bij de Mediatafel bij VondelCS en 's avonds in de Tolhuistuin. AT5 zond beide uit op 5 mei 2013.

Marjolijn van Heemstra, 5 mei 2013

Vrijheidstoast Marjolijn Heemstra

Op een zomerse dag in 1948 leverde oorlogsveteraan Garry Davis op de Amerikaanse ambassade in Parijs zijn paspoort in en deed afstand van zijn nationaliteit.

Ik heb gedood omdat ik dacht dat ik Amerikaan was, die solidair moest zijn met Amerikanen, zei hij tegen de verbijsterde ambassademedewerkers, maar ik ben een mens, en mijn solidariteit had bij de mensen moeten liggen. Ik weiger nog langer Amerikaan te zijn. De ambassade gaf hem twee dagen bedenktijd, maar die had Garry niet nodig. Hij had zijn besluit al jaren eerder genomen, toen hij in een bommenwerper boven Brandenburg, Duitsland, vloog en duizenden burgers de dood injoeg. Nadat Garry de ambassade verliet zette hij een statement op papier waarin hij de wereldbevolking opriep hem te volgen. Binnen een maand was Garry’s eenmansactie uitgegroeid tot een internationale beweging van honderdduizenden vredesactivisten. Dorpen en steden riepen zichzelf uit tot ‘world territory’, Einstein stuurde Garry een telegram waarin hij zijn waardering uitsprak voor deze eerste stap op weg naar wereldvrede, Eleonore Roosevelt zei dat Garry de nieuwe wereldleider moest worden, Albert Camus verklaarde zich solidair en een stoet intellectuelen volgden.

Garry maakte een eigen paspoort, een wereldpaspoort, waarmee hij jarenlang van land naar land reisde. Soms eindigde hij in de gevangenis, soms op de thee bij een koning of president. Bij elke grens kreeg hij hetzelfde te horen: Sir, we don’t recognize this en altijd gaf hij hetzelfde antwoord: sure, but I recognize it.

Garry is nu 91 en woont als excludable alien in een klein houten huisje in Burlington, Vermont, waar hij nog altijd wereldpaspoorten verstrekt aan idealisten en statenlozen. Vorige zomer bezocht ik hem. Ik was gefascineerd door zijn verhaal en wilde weten hoe je dat volhoud, vijfenzestig jaar verzet. Garry’s antwoord: Weten in wat voor een wereld je wilt leven en weigeren wat daar niet mee strookt. Weten en weigeren. In de vier dagen dat ik met hem doorbracht heb ik Garry van alles zien weigeren, van een flauwe komkommersoep, tot het bevel zijn identiteitsbewijs te laten zien. Garry weet precies in wat voor een wereld hij wil leven, en het is geen wereld van flauwe komkommersoep en identificatieplicht. Garry is doodvermoeiend, en toch werd ik geraakt door zijn weigeringen, omdat er door de afwijzingen heen een groot verlangen sprak. Naar vrijheid, rechtvaardigheid en goede soep.

‘Wie nee zegt, zegt eigenlijk ‘ik verlang iets’’ schreef Camus in de jaren dat hij met Garry optrok. Dus hoe meer we weigeren, hoe meer we verlangen. En het is dit verlangen, schrijft Camus, dat ons boven onszelf uit doet stijgen en ons verbind met anderen, omdat we, hoe verschillend ook, deze verlangens delen. Naar vrijheid, rechtvaardigheid, menselijkheid. ‘Ik denk dus ik ben’ werd bij Camus: ‘Ik kom in opstand dus wij zijn’.

Maar behalve weten en weigeren is er voor succesvol verzet nog iets nodig, zei Garry, namelijk verbeelding. ‘Nooit vechten tegen een werkelijkheid die je niet bevalt, zet er gewoon een nieuwe tegenover, met alle verbeelding die je in je hebt.’
Dat deed me denken aan het verslag van de laatste dagen van mijn overgrootvader die in de tweede wereldoorlog vastzat vanwege zijn medewerking aan de februaristaking. Op 30 maart 1945 werd hij doodgeschoten en in de IJssel gegooid, twee uur voordat de gevangenis bevrijd werd door de geallieerden.
Zijn celgenoot, die de oorlog overleefde, schreef een gedetailleerd verslag van de weken die ze samen doorbrachten in een ruimte van een paar vierkante meter. Mijn overgrootvader wist dat de Duitsers hem nooit vrij zouden laten en ik dacht dat het verslag vooral over angst en wanhoop zou gaan.
Maar het ging over weigering. Vanaf dag een weigerde mijn overgrootvader zijn gevangenschap. Om elf uur dronk hij koffie, ook al was er geen koffie. Om vier dekte hij voor thee, zonder thee. Aan het einde van de middag hield hij een zanguurtje, zoals hij dat thuis ook deed, ’s avonds trok hij de zwarte vilten pantoffels aan die zijn vrouw hem had gestuurd. Mijn overgrootvader wist met ijzeren volharding zijn gevangenschap totaal te negeren. Hij weigerde het nazi-regime tot het moment waarop ze hem afvoerden en hij opgewekt naar zijn vriend zwaaide.

Mijn overgrootvader was net als Garry van een generatie die aan den lijve ondervond dat weigeren soms de enige optie is om je menselijkheid niet te verliezen.
Ik weiger weinig. Verlang ik te weinig? Weet ik te weinig?

Begin klein, zei Garry toen we afscheid namen op het vliegveld van Burlington, weiger iets dat vanzelfsprekend lijkt maar haaks staat op de wereld waarin jij wilt leven. Ik heb dat vorige maand gedaan. Ik weigerde op Schiphol door de bodyscanner te lopen. Omdat ik niet wil leven in een wereld die geregeerd wordt door angst en paspoorten. Het was een ongevaarlijk begin, de bodyscanner mag je namelijk officieel weigeren, dat zeggen ze er niet bij omdat ze geen zin hebben in weigeraars, maar je kunt ‘nee’ zeggen. En ik zei dat, met een lange, ongeduldige rij achter me, met zweterige handen en vlekken in mijn nek: ‘Nee’. Ik liep om de bodyscanner heen. En toen zei de mevrouw achter mij ook ‘nee’, en de man achter haar ook. Er ontstond een uitgelaten sfeer onder ons weigeraars. Alsof we met zijn allen een geheime vluchtroute hadden gevonden in de steriele vertrekhal. Een mogelijkheid. Het voelde als ruimte.

Ik zou het iedereen willen aanbevelen.

GEDICHT

Wat overbleef: twaalf pagina’s gefluister door buizen, een tocht
van steeds drie meter, muur na muur de nacht doorkruisend
een pianonocturne op een houten plank; van alles afgezonderd
kun je toch verbonden zijn met de sterren en de zee.

In de ochtend, schrijft de man die met hem at en leefde, kaatste zijn
psalm steen voor steen door de gangen, als een glasblazer zong hij,
geduldig blazend, van dat wat hem blind en dicht omsloot,
een trillend venster makend.

Van de Exodus was hij zeker: niet de vuist van Mozes spleet de zee maar
de oostenwind die wonderbaarlijk de loop van het water verlegde,
een oeroude oever tevoorschijn riep, op het snijvlak van storm en vocht
balanceerden de slaven zich vrij: je kunt op de bodem boven komen.

Er was een kleine stenen tafel, schrijft de man die leefde, en daarop
sloeg hij de tijd uiteen, dekte dagelijks en stipt voor koffie en thee,
de vingers geklemd om afwezige kopjes, rechtop roerend at hij
en sneed; herhaalde wat hij was en bleef.

Ons hoorde hij ruisen ver in zijn gebeente, zei dat soms een man
moet zwerven voor de vrijheid van wie volgt. Hij sliep eenzaam gekruld
om wat nog moest komen; een schild van vlees om ons,
zijn bot, mijn diepste ring, zo slaapt hij nog.

De IJssel lag stil, de dag van zijn dood, als een lucht, erboven
deinde een wolk, daarachter de zon die ook Mozes bescheen.
Hij hief geen vuist bij de eerste schoten, wachtte,
op de oostenwind.

Vol licht en lood hing hij boven de stroming, even eeuwig
balancerend tussen zwaarte-en opwaartse kracht, weigerde
omhoog te drijven, eenmaal in het diep geklapt,
bleef dagen, uren onder, zoek.

Ze vonden hem met een mond vol aarde, in zijn schoenen zand
van een andere rivier. Er hing een plant tussen zijn vingers,
niemand wist wat voor plant; geen wier, geen kroos;
geen waterplant.

Alle rechten voorbehouden